Wat vraagt de toezichthouder ter voorbereiding op de Omgevingswet?

Blog Annemiek Tubbing

Er heeft tweede helft 2017 in opdracht van het (landelijke) Programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ een inventarisatie plaatsgevonden naar de wensen die toezichthouders en handhavers hebben ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet in 2021. De (lang verwachte) resultaten van deze inventarisatie zijn sinds begin 2018 bekend, en op 25 juli 2018 openbaar gemaakt. Een aantal wensen is herkenbaar; andere zijn nieuw, althans voor mij. De wensen van T&H zijn in de rapportage van de inventarisatie samengevat in 3 conclusies met daarbij behorende aanbevelingen. De volgorde hierna komt overeen met die in het rapport. In dit blog zet ik de belangrijkste op een rij, hier en daar voorzien van mijn commentaar.

1. Met stip bovenaan: Anders werken (naast kennis van de wet)

Uit de rapportage blijkt dat toezichthouders en handhavers zichzelf heel goed kennen. Bovenaan de wensenlijst staat dat er behoefte is aan informatie over kennis van  de Omgevingswet en instrumenten –  specifiek op het gebied van toezicht en handhaving. Met name leeft de wens om ondersteuning te krijgen bij het ontwikkelen van een andere manier van werken. Er wordt gevraagd om oefenmogelijkheden voor doelregelgeving, gelijkwaardigheid en zorgplichten ‘bij het doorleven van de impact van het werken naar de geest van de wet’.  Bij ‘anders werken’ gaat het dan om drie aspecten:

  1. Een andere beoordeling van initiatieven. Dat betekent dat het niet voldoen aan een regel niet direct als ‘fout’ beoordeeld moet worden, maar dat er eerst gekeken moet worden wat wél mogelijk is (‘ja, mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’). Daarbij dient dan wel de juiste balans gehouden te worden tussen ongewenste activiteiten (= schadelijk voor de leefomgeving) en ‘mogelijk wenselijk’.
  2. Integraal denken en werken en de samenwerking tussen de diverse (overheids-) organisaties.
  3. Terugkoppeling naar beleid- en planvorming (zie ook hierna onder 2).

Marco Rams van het Programma Aan de slag met de Omgevingswet licht het uitgangspunt ‘ja mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’ als volgt toe:

‘Van de toezichthouder wordt tevens verwacht een initiatief te beoordelen op ‘uitvoerbaarheid binnen de regels’, ook al is er sprake van een overtreding. De initiatiefnemer blijft altijd verantwoordelijk om aan de gestelde eisen te voldoen c.q. te voorkomen dat er nadelig effecten voor de fysieke leefomgeving ontstaan. Van een toezichthouder wordt geen starre houding gevraagd (‘regel is regel’), maar hij moet beoordelen of er in beginsel een mogelijkheid is dat het initiatief gerealiseerd kan worden, al dan niet door het gebruik van voorzieningen of maatregelen. Soms is hierover overleg nodig tussen de toezichthouder en de afdeling die verantwoordelijk is voor het omgevingsplan en/of vergunningverlening. Gezamenlijk (overheid en initiatiefnemer) moet onderzocht worden of de wens van een initiatiefnemer haalbaar is of niet. Ook dit is een grote uitdaging voor toezichthouders en handhavers, hoewel deze houding hier en daar al voor de komst van de Omgevingswet aanwezig is.’

Tegelijkertijd weten we dat nu al af en toe de schoen wringt. Hoe meer ruimte een regel biedt, hoe hoe vaker de toezichthouder in de situatie terecht kan komen dat hij twee petten op heeft:  die van regelgever en van toezichthouder op de naleving van de deels door hemzelf (in de concrete situatie) mede bepaalde regel.  Tevens ligt het gevaar van rechtsongelijkheid op de loer. Genoeg redenen dus om deze (eerste) wens van toezichthouders en handhavers van harte te ondersteunen.

2. Meer betrokkenheid van toezicht en handhaving bij de planvorming

De tweede conclusie luidt dat toezicht en handhaving nog te weinig betrokken is bij de voorbereidingen voor de planvorming, terwijl deze juist kunnen zorgen voor het inbrengen van beleidsrijke informatie vanuit de praktijk en voor een check op de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en monitoring van het beleid.  De bijbehorende aanbeveling luidt dan ook: betrek toezicht & handhaving meer bij het beleidsproces. Eerlijk gezegd verbaast deze wens mij en ik denk dat ik niet de enige ben.  Onderstaande beleidscyclus – in een enigszins nieuw jasje gestoken – bestaat al heel lang. Toezicht en handhaving maakt natuurlijk (ook) deel uit van de uitvoering, maar in ieder geval leveren de resultaten daarvan en de ervaringen daarmee ook input voor een nieuwe cyclus. Misschien toch nog te weinig in de praktijk gebracht?

3. Digitaal samenwerken en informatie uitwisselen

Toezichthouders en handhavers willen hun werkprocessen koppelen aan vergunningverlening of andere van toepassing zijnde vormen waarin de overheid om toestemming wordt gevraagd of op de hoogte wordt gebracht van een activiteit (ontheffingen, verklaringen van geen bedenkingen, meldingen etc)  en men zou graag digitaal informatie uitwisselen met andere handhavingspartners. DSO voorziet op dit moment niet in een samenwerkingsruimte. Dat komt er mogelijk wel in 2021, maar dan alleen voor planvorming en vergunningen/meldingen.

De aanbeveling is om vanuit de koepels (IPO, VNG en UvW) een visie op de digitale samenwerking tussen de ketenpartners op het gebied van toezicht & handhaving te formuleren. Daarmee kunnen Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten vervolgens hun eigen plannen daarop inrichten. Mijn advies is: we hebben al een digitaal systeem waarin toezichthouders elkaars informatie kunnen raadplegen: Inspectieview Bedrijven en Milieu. Met de aansluiting bij dit systeem wordt voldaan aan de verplichting die per 1 januari 2018 geldt voor omgevingsdiensten om handhavingsinformatie te delen (zie artikel 7.8 en volgende Besluit Omgevingsrecht). Waarom dat systeem niet als uitgangspunt nemen om (gedeeltelijk) aan deze wens tegemoet te komen? Wordt het wiel opnieuw uitgevonden? Ik hoop het niet.

Ik vrees dat toezichthouders en handhavers wel even mogen wachten op inwilliging van hun digitale wensen. Bekend is dat het DSO vertraging oploopt en dat de kosten ervan hoog zijn. Dat is niet zo uniek voor digitale overheidsprojecten. Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken (waar de Omgevingswet inmiddels onder valt) heeft in een brief van 9 juli 2018 aan de Tweede Kamer met als onderwerp ‘Hoofdlijnen ontwerp invoeringsbesluit Omgevingswet’ laten weten dat er bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een ‘basisniveau’ zal zijn vastgesteld, waardoor het ‘dienstverleningsniveau bij inwerkingtreding en de opgave voor het bevoegd gezag is verduidelijkt.’ Dit basisniveau zal verder worden uitgewerkt in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Weliswaar is/blijft het de ambitie om op termijn het DSO verder uit te breiden met onderdelen die de baten van het DSO en het gebruikersgemak verder vergroten, onder andere door stapsgewijs meer informatie te ontsluiten via het DSO.

Het is duidelijk dat de ‘voorgehangen worst’ van de ‘één-druk-op-de-knop-geeft-u-een-volledig-beeld-van-de-door-u-gezochte-locatie’ voorlopig een utopie blijft. Gelukkig hebben we Inspectieview nog.

Hoe nu verder?

De programmaraad van het programma Aan de slag met de Omgevingswet besluit op grond van de inventarisatie welke ondersteuning aan toezicht & handhaving wordt geboden. In het programma voor 2018 is al veel aandacht voor het goed betrekken van toezicht & handhaving bij planvorming en stimuleren van overheden om kennis en kunde te benutten.

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.